I Bewakers van de RijksgrenzenHet Romeinse Rijk was het grootste, rijkste , best georganiseerde en langst bestaande imperium in de wereldgeschiedenis. Tussen 200 v.C. en 200 n.C. breidde het imperium zich vanuit Latium, de streek rondom Rome, uit over West-Europa, de Balkan, de landen rond de Middellandse Zee en het Midden-Oosten. Hierna verminderde haar macht langzaam. In 395 verdeelden Arcadius en Honorius het rijk in het West- en Oost-Romeinse rijk. In 476 kwam er een einde aan het West-Romeinse rijk toen keizer Romulus Augustulus werd afgezet door de Germaanse koning Odoacer. Het Oost-Romeinse rijk bleef bestaan tot 1453 als het Byzantijnse Rijk. Het Romeinse Rijk omstreeks 117 na Chr. ten tijde van keizer Trajanus
Drie soorten inwonersNiet iedereen die in dit rijk leefde was een Romeins burger. We kunnen de inwoners globaal in drie groepen verdelen:
In het vroege keizerrijk, begonnen in 27 voor Christus onder keizer Augustus, waren de burgers meestal mensen wiens familie oorspronkelijk uit Italië kwam. Later werd het burgerrecht ook aan andere groepen verleend. Voordat het burgerrecht aan alle inwoners werd verleend was het een groot voordeel om Romeins burger te zijn. Burgers hadden speciale rechten en betaalden minder belasting. Alleen Romeinse burgers mochten overheidsfuncties uitoefenen. Een van deze functies was het in dienst treden bij een legioen.
Legioenen en hulptroepenHet leger dat door zijn militaire kracht het Romeinse Rijk vestigde en het 600 jaar in stand hield, was voor zijn tijd geen gewoon leger. De sterkte was vooral te danken aan de goed getrainde legionair; een Romeins staatsburger die vrijwillig en op voorspraak van een ander in dienst gegaan was. De legionair was een beroepssoldaat, die dienst nam voor een vaste periode, sinds keizer Augustus 25 jaar. Hij kon overal in het rijk ingezet worden, maar de meeste legioenen lagen aan de grenzen van het rijk, om de vijandige stammen buiten te houden. Bijzonder voor die tijd was de uniformiteit binnen het leger. In principe waren de legionairs op dezelfde wijze uitgerust en getraind. Ze leerden om in vaste patronen te vechten. Naast de legioenen had je ook nog hulptroepen (auxilia). Deze troepen, de naam zegt het al, hielpen de legioenen. De auxiliari waren geen Romeins burger, zij werden gerekruteerd uit de stammen uit de door de Romeinen veroverde gebieden, die een bondgenootschap met de Romeinen gesloten hadden. Als de Romeinse legioenen een gebied binnen trokken werden de daar levende stammen voor de keuze gesteld of een bondgenootschap sluiten of gewapenderhand onderworpen worden. Bondgenoten waren in het Romeinse Rijk beter af dan volken die onderworpen waren. Ze hoefden namelijk geen belasting aan de Romeinen te betalen. De bondgenoten moesten wel helpen bij de verdediging van het rijk; daarvoor moesten ze "hulptroepen" leveren. Zo'n eenheid auxiliarii was een bonte verzameling van mensen: Galliërs, Britten, Grieken, Bataven, enzovoort. Na hun lange diensttijd van 25 jaar kregen deze mannen als beloning het Romeins burgerrecht. Hun kinderen werden dan als Romeins staatsburger geboren. Een zoon van zo'n auxiliari kon dan dienst nemen als gewoon legionair. De eed van trouw (sacramentum)Een jongeman die dienst wilde nemen als soldaat moest zich melden bij een legerhoofdkwartier (principia) in de provincie hoofdstad . Hier vond een interview (probatio) en een medische keuring plaats. Een dokter onderzocht hem om te kijken of hij minstens 1.75 m lang en gezond (dus ook goede ogen en oren) was. Een officier stelde hem vragen om erachter te komen of hij een echt Romeins burger was en geen misdadiger of weggelopen slaaf. Ook moest de toekomstige soldaat kunnen lezen en schrijven. Was hij goed gekeurd dan was hij probatus en kreeg zijn eerste soldij (viaticum). In de grote hal van het hoofdkwartier stonden de rekruten voor de kapel (aedes). In deze kapel stond de soldijkist en bevonden zich de altaren voor diverse goden en de vaandels en standaarden van de legereenheid. Deze standaarden waren de symbolen voor de trots en moed van de eenheid en werden vereerd als heilige voorwerpen. Hier legden zij voor de eerste keer de eed van trouw af (sacramentum). Tijdens de eed zwoeren de nieuwelingen dapper, gehoorzaam, eerlijk en altijd trouw te zullen zijn. Letterlijk betekend viaticum reisgeld, waarschijnlijk moest hij dit gebruiken om zich bij zijn eenheid te kunnen voegen. Hier kreeg hij een training van vier maanden, waarna hij het identificatie plaatje (signaculum) kreeg. Hij werd dan signatus genoemd. Nu kon hij in de administratie van het legioen worden opgenomen als soldaat (miles). Pas als hij zijn eed van trouw (sacramentum) opnieuw had afgelegd werd hij als officieel als miles beschouwd. De indeling van het legioenWanneer de rekruten in het legerkamp arriveerden werden ze door een officier in een centuria, eenheid van 80 man (oorspronkelijk 100, denk aan cent), ingedeeld. Ze sliepen in een barak met 8 soldaten. Zo'n groepje van acht werd een contubernium genoemd. Tien contubernia vormden een centuria, een eenheid die werd aangevoerd door een centurio.
II VAN BURGER TOT LEGIONAIR
Om zo’n enorm rijk te veroveren en in stand te houden is er een goed leger nodig. Vooral als men zich realiseert dat er op het hoogtepunt van het Romeins rijk ongeveer 30 legioenen waren. Inclusief de auxiliari kwam dit neer op iets meer dan 300.000 soldaten. Om de grens te kunnen bewaken en eventuele opstanden in de kiem te kunnen smoren was er een goede training en vooral discipline nodig. Ook van het organisatie talent werd veel gevraagd. Juist deze punten die de Romeinen onderscheidde van de overige volkeren maakten het mogelijk het Rijk in stand te houden. Hier zullen we nog dieper op ingaan. De trainingDe nieuwe legionair moest marcheren, lange afstanden rennen, oefenen om zware bepakking te leren dragen en urenlang bokspringen om hem sterk en behendig te maken. Elke dag werd urenlang geoefend hoe ze de wapens moesten hanteren. Allereerst oefenden ze tegen een houten balk die in de grond was neergezet. Dit was de vijand. Later moesten ze tegen elkaar vechten. Ze kregen houten zwaarden, speren zonder ijzeren punt en rieten schilden. Alles woog zwaarder dan de echte wapens, dit om de spieren te trainen. Na verloop van tijd moest hij deze oefeningen herhalen, maar nu in volle wapenuitrusting. De legionairs werden ook getraind in praktijk situaties. Zo moesten ze nagemaakte forten aanvallen. Hierbij moesten ze in volle uitrusting over hellingen en houten muren klimmen, terwijl ze opgejaagd werden door een schreeuwende en commanderende centurio en/of optio. Terwijl de lichamelijke training voortging leerde de soldaat formatielopen op de paradeplaats. Tijdens een veldslag vochten de Romeinen in geordende formaties. Daarom was het belangrijk dat de mannen leerden hoe ze snel en netjes van de ene formatie naar de andere moesten bewegen op het geluid van verschillende trompetsignalen. Eindeloos uren oefenen zorgden ervoor dat het voor de soldaten vanzelfsprekend werd.
III DE UITRUSTING
Het meest opvallende ten opzichte van de “vijanden” van de Romeinen, was de eenheid in uitrustingen. De vijanden waren over het algemeen boeren die vochten met de wapens die voorhanden waren, waardoor een grote diversiteit ontstond. De Romeinen hadden de mogelijkheid de uitrustingen door vaklieden te laten produceren. Toch kwamen ook bij de Romeinen verschillen voor, maar dat waren meestal kleine verschillen, die geen invloed hadden op de inzetbaarheid van de individuele legionair. Het feit dat alle legionairs harnassen droegen was voor de andere volkeren en stammen een geheel nieuwe ervaring. We zullen eens verder ingaan op hoe de de Romeinse soldaten er aan het eind van de eerste eeuw na Chr. uitzagen. Hierbij zien we duidelijk verschillen tussen legionairs en auxiliarii. LegioensoldatenDe legionair droeg waarschijnlijk een kersenrood wollen hemd, de tunica. Deze had korte mouwen en reikte tot net boven de knieën. Aan zijn voeten droeg hij sandalen (caligae) gemaakt van leer. Ze hadden een dikke zool met spijkers eronder om slijtage tegen te gaan. De riempjes waren uit een stuk leer gesneden en werden bij elkaar gebonden met een lange leren veter. BeschermingOm zijn lichaam te beschermen droeg iedere soldaat een helm (galea) van ijzer of brons. Deze helm was voorzien van een nekplaat, wangkleppen (bucculae) , oorbeschermers en een dikke voorhoofdsband om vijandelijke zwaardslagen op het gezicht af te laten ketsen. Bovenop iedere helm zat een helmkamhouder: ten eerste om de rangen aan te geven en ten tweede om tijdens feesten en parades een mooie helmkam van veren of paardenhaar te dragen. Vaak werden helmen door de dragers zelf rijkelijk versierd met zilver of email. De centurio en optio droegen een kam respectievelijk van oor tot oor en van voor naar achter om hun rang aan te geven. Het lichaam werd beschermd door een harnas dat uit verschillende stroken ijzer ofwel segmenten bestond. Vandaar de naam lorica (harnas) segmentata. De segmentata werd bijeengehouden door leren riempjes aan de binnenkant. De voor- en achterkant moest met leren veters worden vastgesnoerd en het geheel woog ongeveer 10 kilo. Sommige soldaten droegen in plaats van een segmentata een maliënkolder, ofwel een lorica hamata. Dit was een vest van wel 30.000 ijzeren ringetjes. Een karwei waar veel geduld voor nodig was. De maliënkolder was een Keltische uitvinding. Het nadeel was het onderhoud. Roest vrij staal bestond nog niet, daarom was het noodzakelijk om alles goed te onderhouden. Als er ringetjes kapot was moest een veel groter deel vervangen worden. Praktisch als de Romeinen waren kwamen zij in de eerste eeuw na Christus met de lorica segmentata. Deze waren veel eenvoudiger te onderhouden en te repareren. Langzaamaan wordt de maliënkolder door de segmentata vervangen. Om het middel werd een riem (cingulum) gedragen waarop prachtig versierde metalen plaatjes waren geslagen. Aan de voorkant hingen leren strokenmet bronzen hangertjes, die bij iedere stap klingelden. Tenslotte kon de legionair zich beschermen met zijn groot rechthoekig schild (scutum). Dit schild bestond uit op elkaar gelijmde platen hout. Ze werden prachtig beschilderd met onder meer bliksemstralen en vleugels. Waarschijnlijk had ieder legioen z'n eigen schildmotief. In het midden van het schild zat een handgreep. De hand werd weer beschermd door een ijzeren schildknop (umbo), die ook gebruikt kon worden als een soort van boksbeugel, om de vijand mee neer te slaan. De aanvalHierboven hebben we het vooral gehad over de uitrustingstukken die ter bescherming dienden. De legionair bezat twee wapens om aan te vallen: het zwaard (gladius) en de speer (pilum). Er wordt van uitgegaan dat iedere legionair twee speren had, alhoewel dit niet zeker is. De manier van aanvallen was uniek voor zijn tijd. De Romeinen vochten in dicht aan een gesloten formaties, waarbij discipline van essentieel belang was. Wanneer de Romeinen hun tegenstander dicht genoeg genaderd, waren wierpen ze allemaal tegelijk een speer (pilum) naar de vijand. De punt van de pilum is piramidevormig. Het gedeelte daaronder is van dun zacht ijzer dat gemakkelijk buigt. Natuurlijk was het de bedoeling om een vijand te raken, maar vaak kwam de speer in het schild van de tegenstander terecht. De speer bleef steken en boog krom. De piramid3epunt diende dan als een soort weerhaak. De vijand kon dan meestal zijn schild niet meer gebruiken, omdat er zo'n lastige speer in zat en bovendien kon hij de speer dan niet teruggooien. En er was geen tijd om hem weer recht te buigen want de tweede regen van speren was al onderweg. Daarna trokken de Romeinse linies op als een muur van schilden. Hun korte steekzwaard werd tussen de schilden door naar voren gestoken. Zo walste muur na muur van legionairs over de vijand heen. Op deze manier hebben de Romeinen heel wat veldslagen gewonnen. Veel soldaten droegen aan hun riem ook nog een dolk (pugio). Dit was geen standaard uitrustingstuk maar waarschijnlijk hebben veel soldaten van hun eigen verdiende soldij zo'n pugio laten maken bij een wapensmid. Afhankelijk van de som geld die hij wilde besteden liet hij zijn pugio versieren. Dit laaste gold ook voor de schede van zijn gladius. Hiervan zijn heel mooi versierde voorbeelden van terug gevonden. De auxiliariiEigenlijk vielen alle soldaten die niet in de legioenen dienden in de categorie hulptroepen (auxilia). Hiertoe behoorden ook de ruiterij, allerlei soorten voetvolk en soldaten met speciale vaardigheden zoals Syrische boogschutters en stenenslingeraars uit de Balearen. De hulptroepen waren ook ondergebracht in cohorten en centuriae, die onder het bevel van een centurio stonden. Een hulptroepen verdiende maar een derde van het soldij van een legionair. De hulptroepen waren lang niet zo mooi en goed uitgerust als de legioensoldaten Sterker nog, sommigen droegen helemaal geen uitrusting. Anderen hadden een maliënkolder of een schubbenvest (lorica squamata). Dit is een vest met meer dan 5000 metalen schubben erop vastgenaaid. De helmen waren gewoonlijk goedkope versies van de legionairshelmen. Het zwaard leek erg veel op de gladius. In plaats van een rechthoekig, gebogen schild droegen de hulptroepen een simpel ovaal schild en in plaats van een werpspeer hadden ze een steekspeer (hasta).
IV EEN LANGE MARS
Tegenwoordig kunnen legers razendsnel van de ene plaats naar de andere vervoerd worden. Maar hoe ging dat in de Romeinse tijd? Toen in het jaar 69 na Christus de Bataven o.l.v. Julius Civilis in opstand kwamen Werd het tiende legioen Gemina (LXG) vanuit het huidige Spanje naar Novio Magus (Nijmegen) gestuurd. Zoals we eerder gezien hebben moesten de soldaten leren om in vijf uur 36 kilometer te kunnen lopen. Dit was nodig om zo snel mogelijk naar een oorlogsgebied te gaan. De Romeinse soldaten hadden in het hele rijk goede wegen aangelegd en mede hierdoor kon het Romeinse leger zich sneller verplaatsen dan welke vijand dan ook. Hier was sprake van een verplaatsing van een kompleet legioen dan haalde men niet de z.g. geforseerde marsafstand, maar haalde men ongeveer 25 kilometer per dag. Het tiende legioen deed er drie maanden over om bij Nijmegen aan te komen. Waar het mee geholpen heeft de opstand neer te slaan. De marsbepakkingTijdens de lange mars droeg de legionair zijn volle wapenuitrusting maar als er geen direct gevaar was droeg hij zijn helm op de borst en zijn schild op z'n rug. Over zijn schouder droeg hij zijn twee werpsperen evenals een bagagestok (furca) met zijn persoonlijke bezittingen: een leren zak met zijn reservekleding en sandalen, een bronzen eetpan en een kookpot, een net met voedsel voor drie dagen, gewoonlijk hard gebakken brood, bonen, graan, uien en gezouten vis of vlees en een veldfles met waterige wijn. Verder droeg de soldaat nog twee houten staken (pila muralia) om een palissade te maken, een schop en een houweel. Bij elkaar woog het meer dan twintig kilo! Het was de beroemde generaal Marius geweest die heeft bevolen dat de soldaten het grootste gedeelte van de uitrusting zelf moeten dragen. Sindsdien werd een legionair ook wel spottend "Muli Mariani" (Marius' muilezels) genoemd. Muilezels werden trouwens ook gebruikt. Elk contubernium had er een om de leren tent en het kampeergereedschap te dragen. De colonneIn vijandelijk gebied werd de stoet soldaten op een speciale manier gevormd.
De hulptroepen liepen voorop samen met de ruiters. Zij moesten kijken of er nergens vijanden op de loer lagen. Daarna kwam het legioen. Voorop liep de drager van het legioenstandaard (aquilifer), die de grote vergulde adelaar (aquila) droeg. Hij werd omringd door alle andere standaarddragers met daarachter de trompettisten. Zij werden gevolgd door de legionairs, zes man naast elkaar. Ruiters reden aan de zijkanten om de soldaten te beschermen tegen plotselinge aanvallen.
V DE PRIJS VAN EEN VREEDZAME NACHT
Aan het einde van een lange en vermoeiende dagmars snakten de soldaten naar een stevige maaltijd en rust. Maar helaas, meestal waren er geen kampen in de buurt en zomaar in de openlucht of in tenten kamperen was in vijandelijk gebied veel te gevaarlijk. Daarom werd elke avond een kamp gebouwd, compleet met gracht, wal en omheining. Het werk wordt verdeeldAls de verkenners een goede plaats hadden gevonden om te overnachten, het liefst in de buurt van een rivier en bovenop een heuvel, vertelden ze dat aan de legioencommandant. Die liet onmiddellijk bevelen doorgeven aan de centurio's. Hoornblazers gaven signalen, de manschappen stonden in de houding om bevelen in ontvangst te nemen. Het hele legioen was in rep en roer. De voorste centuriae gingen in slagorde staan, terwijl de rest daarachter begon met de bouw van het kamp. Hun wapens verloren ze nooit uit het oog want stel je voor dat ze plotseling werden overvallen. De gracht en de wal vormden de voorste verdediging. De twee houten staken (pila muralia) die iedere legionair bij zich had, werd bovenop de wal werden gestoken en samengebonden om zo een puntige muur te vormen. De indeling van het kampGeschat wordt dat het kamp in ongeveer twee uur klaar was. Overal langs de wal werden wachtposten opgesteld. Een cohort moest buiten het kamp op wacht blijven. Nu waren de legionairs vrij om hun tenten op te zetten. We hebben gezien hoe de Romeinen snel een kamp bouwden om te overnachten. Dit gebeurde alleen als een leger op doorreis was. De volgende ochtend werd zo'n kamp weer afgebroken. Maar de Romeinen kenden ook vaste kampen, waar het leger langer bleef, soms wel jaren. Maar al was het een klein fort (castellum) voor enkele cohorten hulptroepen, of een grote legioenlegerplaats (castrum). de indeling was altijd zoals hierboven beschreven.
VI STANDAARDS EN OFFICIEREN
De Romeinse soldaat was zeer bijgelovig en paste wel op om de goden of bovennatuurlijke krachten die zijn leven beïnvloedde boos te maken. Hij aanbad een veelheid aan goden, vaak ook de god van het gebied waarin zijn legioen gelegerd was. De Romeinen geloofden ook in genii, geesten die groepen mensen met elkaar verbonden. Zo'n groep kon een gezin zijn, maar ook een centurie of een cohort. Was de sfeer in een bepaalde centuria heel goed, dan was dat dus te danken aan de Genius. De standaard was het symbool van zo'n Genius. Daarom werd deze met veel eerbied behandeld en was het een grote schande er een in de strijd te verliezen. De standaardsStandaards waren er in drie hoofdtypen. De aquila (adelaar) was de standaard van het hele legioen. In Caesars tijd was hij gemaakt van zilver en goud, tijdens het keizerrijk geheel van goud. Alleen wanneer het hele legioen te velde trok, verliet hij het legerkamp. Hij werd bewaakt door het eerste cohort. De standaards werden gedragen op aan de onderkant van een punt voorziene stokken die in de grond konden worden gestoken. De officierenEen legioensoldaat tekende voor 25 jaar, in welke tijd hij probeerde op te klimmen tot centurio, de aanvoerder van een eenheid van tachtig soldaten; een centuria. Boven de centurio's stond een groep halfprofessionele officieren. Dit waren meestal mensen uit rijke adellijke families die slechts tijdelijk hun positie bekleedden om daarna snel carrière te maken in de politiek, bijvoorbeeld als senator. Boven de tribunen stond de legatus, gewoonlijk een door de keizer benoemde senator. De legatus was de hoogste in rang. Bij zijn afwezigheid werd hij vervangen door de prefect van het kamp (praefectus castrorum). Dit was meestal een oudere man, die primus pilus was geweest en zijn hele leven in het leger gediend had. Er waren nog andere soorten officieren die onder de centurio stonden. Dit waren de z.g. principales. Hiertoe behoorden de optio, de plaatsvervanger van de centurio, en de standaarddragers, zoals de aquilifer die de adelaar droeg, en een signifer, drager van het signum, die tevens dienst deed als bankier van zijn eenheid.
VII BELEGERING EN STRIJDTACTIEKEN
De sleutel tot het succes van de Romeinen was de discipline. Dit maakte de legionairs bijna onverslaanbaar in een veldslag in open terrein. De Romeinen vochten zij aan zij in dichte formaties, maakten gebruik van de oefeningen die ze geleerd hadden en gehoorzaamden trompetsignalen. Hun vijanden, door de Romeinen barbaren genoemd, vochten altijd "ieder voor zich". Weinig stammen konden het lang uithouden tegen deze tactiek, zeker omdat de barbaarse krijgers nooit hadden geleerd om gezamenlijk te vechten en naar bevelen te luisteren. BelegeringEen Romeins leger op oorlogspad had meestal verschillende belegeringsmachines om vijandelijke steden en vestingen aan te vallen. ArtillerieTijdens veldslagen en belegeringen werden de legionairs bijgestaan door hun "artillerie", de katapulten. Elk legioen had er 60. Ze verschilden in grootte van kleine machines die op muilezels werden vervoerd, tot gigantische belegeringskatapulten zo groot als een hijskraan en in staat om stenen van meer dan 45 kilo af te schieten. SchildpaddenAls uiteindelijk de laatste aanval begon en de legionairs moesten door een regen van vijandelijke pijlen, speren en stenen heen, dan werd het bevel "schildpadformatie" (testudo) gegeven. Ze hielden hun schilden boven hun hoofd en vormden zo een dak. Tegelijkertijd maakten de soldaten aan de zijkanten van hun schilden een muur. Deze bewegende "kist" beschermde de legionairs tegen alle projectielen die naar beneden kwamen totdat ze dicht genoeg bij de vijand waren om weer in gevechtsformatie over te gaan. |